De ondergang.
Er is een bedrijf ter ziele gegaan! Wel meerdere sinds de vorige uitgave van de SchildersVakkrant, maar ditmaal ook weer een schildersbedrijf. Ooit een gerenommeerd bedrijf met aansprekende klanten. Ergens in het centrum van ons land. Triest zeggen sommigen en zeker triest voor de in dienst zijnde schilders. Maar is het werkelijk zo triest? Als je als onderneming je toegevoegde waarde verliest, heb je geen bestaansrecht meer. Dat klinkt hard, maar is het werkelijk zo hard? Is het hard en triest voor de directie en het management, dat met lege handen komt te staan? Is het hard en triest voor de uitvoerende schilders en hun gezinnen die plotseling zonder inkomen zitten en moeten wachten op een uitkering? Menigeen zou onmiddellijk reageren met ja! Ik heb mijn twijfels. Of eigenlijk niet zo zeer.
Gedeelde verantwoordelijkheid.
Onlangs was ik bij een bijeenkomst met een groot aantal schilders. Op mijn vraag wie een voorbeeld had van ‘faalkosten’ in zijn eigen werkomgeving, stond een van hen op en vertelde het volgende verhaal. Samen met een tweetal collega’s was hij bezig met het onderhoud aan een pand waarin 5 bedrijven waren gehuisvest. Met een hoogwerker hadden ze de dakkapellen al onder handen genomen en langzaam maar zeker waren ze verder naar beneden afgedaald. Halverwege het project komt de opdrachtgever met de vraag waarom de daklijsten niet zijn behandeld? De vakman die het voorbeeld gaf was projectverantwoordelijke en raadpleegt zijn projectmap. Daarin staat duidelijk dat de daklijsten zijn uitgesloten van onderhoud. De opdrachtgever is het er niet mee eens. Straks staat zijn pand er weer fris en vrolijk bij, behalve die daklijsten. Een modderschuit op een vlag of andersom. Ondanks al het gekissebis gaat het project vrolijk verder. Uiteindelijk wint de opdrachtgever en moet er alsnog een steiger worden gebouwd om de daklijsten te behandelen.
Nog een voorbeeld.
In dezelfde groep zit een schilder en die zegt dat de kleurnummers in zijn projectmap afwijken van het verfmateriaal dat hij heeft meegekregen. Hij gaat er echter vanuit dat zijn materiaal het juiste is en begint die te verwerken. Als hij bijna klaar is keurt de opdrachtgever de gekozen kleuren af omdat daarover andere afspraken zijn gemaakt. Beide projectverantwoordelijken verwijzen naar een gebrekkige werkvoorbereiding. Maar is dat ook zo? Natuurlijk, als er iets fout gaat verwijzen we te allen tijde naar iets of iemand anders. Ons eigen straatje schoonvegen heet dat.
Faalkosten.
Natuurlijk zijn er fouten gemaakt in de werkvoorbereiding. Maar verder niet? Ik beweer van wel. Bij de projectverantwoordelijke in het eerste geval had een belletje moeten rinkelen. Waarom worden de daklijsten niet in het project meegenomen. Hij had die vraag moeten stellen aan de opdrachtgever en aan ‘kantoor’! Datzelfde geldt voor het tweede geval. Bij twijfel; niet inhalen.
Faillissement.
Beide voorvallen zullen niet onmiddellijk leiden tot de ondergang van de onderneming. De accumulatie daarvan echter wel. De extra kosten in het eerste geval werden geraamd op ca. € 4.000,= in het tweede op € 2.000,= Wanneer wordt uitgegaan van een gemiddeld rendement van 5% betekent dit dat een extra productie moet worden gerealiseerd van respectievelijk € 48.000 en € 24.000,=.
En 5% rendement is gemiddeld gesproken nog erg hoog. Hoe te voorkomen is dus de onmiddellijke de volgende vraag?
De oplossing.
Evaluatie van werken. Leren van fouten; je kwetsbaar opstellen als directie; als projectleiding en als uitvoerende schilder. Deze laatste is net zo goed schuldig aan de teloorgang van een bedrijf. Evenals de directie die zich niet openstelt voor kritiek!!!
Voor meer informatie: k.kamsma@gildemanagementsupport.nl