(Bijna) onverbeterbaar

Een regieschilder op pad
Het is maandagmorgen half acht en Jan zijn stapeltje regiebonnen voor deze week uit zijn bakje haalt. Afgelopen vrijdag heeft hij zoveel als mogelijk afspraken gemaakt met zijn klanten over de uitvoering en het tijdstip waarop hij kan worden verwacht. De bonnen liggen al op volgorde als hij nog een laatste blik werpt op zijn uitrusting en op zijn materiaalvoorraad. Dan gaat de telefoon. Om elf uur zou hij een keuken texen, maar zijn opdrachtgever is in het weekend onwel geworden en de uitvoering moet worden opgeschort. Tijd om te corrigeren is er niet meer, omdat hij om acht uur bij zijn eerste klant wordt verwacht. Jan gaat op pad.

Opbrengsten
Aan het einde van de week heeft hij 22 uur productief kunnen maken. De rest van zijn tijd heeft hij benut met het verzamelen van materialen; de rest van de afspraken in te vullen en te schuiven om al zijn klanten zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn. De administratie maakt de maandag erop de regiefacturen. Voor Jan wordt € 39,= uur in rekening gebracht + nog wat materiaalverbruik. Een deel van zijn werk is factureerbaar, een deel is het uitvoeren van opleverpunten en er zat ook nog een garantieklusje bij. De omzet van Jan bedroeg die week € 483,25 exclusief BTW.

Kostprijsberekening
Het bedrijf waar Jan voor werkt heeft een kostprijsberekening gemaakt voor wat elke schilder per uur moet opbrengen. Gemiddeld komt men uit op € 49,= Doch de kosten van Jan zijn iets hoger omdat de kosten van de bedrijfsauto bij hem iets zwaarder wegen. Hier wordt het verschil in uurtarief en kostprijs nadrukkelijk zichtbaar. Jan is geen uitzondering. Door de hele branche speelt dat de gemiddelde kosten van een schildersuur tussen 15 en 25% hoger liggen dan het gemiddelde uurtarief. Dit verschijnsel is niet voorbehouden aan de schildersbranche maar geldt voor vrijwel alle ambachtelijke sectoren. Bovendien is dit niet een fenomeen van deze tijd maar speelt - de facto - al sinds de middeleeuwen. In vroegere tijden wist men echter door lange werkweken nog een redelijk inkomen te verwerven. Dat is er tegenwoordig nauwelijks meer bij. Ik wil niet beweren dat het verschil in kostprijs en uurtarief uitsluitend de oorzaak is van de lage winsten in de schildersbranche, maar voor een groot deel speelt het wel mee.

Het antwoord
Er zijn grosso modo 3 soorten ondernemers. De eerste categorie beseft nauwelijks of in ieder geval onvoldoende dat dit verschil bestaat. De tweede beseft dit verschil wel degelijk maar doet er alles aan om de kostprijs zo laag mogelijk te doen zijn. Een paar ludieke voorbeelden. Een aantal ondernemers boeken de marge bonussen op materialen, die zij ontvangen op negatieve kosten. Er worden per jaar meer productieve uren toegekend aan schilder door rekening te houden met een te laag ziekteverzuim of ontkennen dat er ‘leegloopuren’ zijn. Een ander is dat van een lagere managementfee wordt uitgegaan dan de norm die ervoor wordt gesteld. Of er wordt niet met vreemd kapitaal gewerkt en dus ook geen financieringskosten berekend. Een veel voorkomende is dat alle bedrijfsmiddelen (nagenoeg) zijn afgeschreven en er wordt geen reservering opgenomen voor toekomstige investeringen. Al deze gedragingen leiden in veel gevallen tot de rand van de afgrond. Immers ineens kan het ziekteverzuim toch parten gaan spelen; plotseling begeeft de compressor het en er is onvoldoende kapitaal voor nieuwe investeringen; de directeur bouwt onvoldoende reserves op voor zijn oudedagvoorziening. De derde categorie onderkent het fenomeen en gaat er op een andere manier mee om. Daarover de volgende keer. Eigenlijk is er nog een 4e categorie. Ook daaraan zal ik in mijn volgende rubriek aandacht besteden. Maar de oplossing is er wel degelijk.

Voor meer informatie: k.kamsma@gildemanagementsupport.nl